Indien filosofie hermeneutisch is en niet ten dienste staat van een naturalistisch project, is de grens tussen filosofie en poëzie niet meer principieel te trekken. Wie zich de poëtische dimensie van de interpretatie ontzegt, plaatst een limiet op die interpretatie nog vooraleer ze van start is gegaan.
Een principiële barrière aan jezelf opleggen, belemmert de groei in naam van een principe dat weleens achterhaald had kunnen zijn indien de groei had plaatsgevonden.
Privaat denken is schrijven in een trage dialectiek, die onvolledig en fragmentarisch is. De onvolledigheid en ontoereikendheid van de tegengedachte is een uitgangspunt geworden, maar de reductie van deze dialectiek heeft uiteraard implicaties. De aanspraak op algemeenheid moet geheel worden opgegeven. De argumentatie is strikt lokaal geworden. Een subjectiviteit die zichzelf tegenspreekt, meer niet, maar ook niet minder. These en antithese zijn expressie geworden, drager van affect, of liever: datgene wat het affect heeft toegestaan om te verschijnen. En toch is dit schrijven geenszins louter expressie. Haar functie is in eerste instantie transformatief. Het affect dat zich doorheen de taal laat manifesteren om zichzelf te moduleren in het proces.
Hoe groter de tegenstrijdigheid van waarden in de kern van iemands persoon, des te groter de verlangens om één ervan de totale overwinning te gunnen. Dit vertaalt zich meestal naar een groot doel, dat de tegengestelde waarden met niet-aflatende intensiteit zal trachten te ondermijnen.
Een roeping is geen wilsbesluit, zoals de term aanduidt.
De eerste stap is de gedachte als handeling te zien, de tweede om haar een soortgelijk gewicht toe te kennen en in te zien dat ze zich even onontwispbaar in het grote weefsel inschrijft.
Een zuivere vorm legt zichzelf niet op. Hij wordt geïmiteerd.
De singuliere geest en het monster hebben gemeen dat ze zich in hun diepste aanspraak laten miskennen door wie hen het meest na staat. De eerste doet dit uit trots, maar roept er tegelijk bewust een teleurstelling over zijn persoon mee op, terwijl de tweede handelt uit schaamte, om net de ultieme teleurstelling af te houden.
Het is geen bevrijding als je moet laten zien dat het een bevrijding is.
Misschien ben je nog niet in staat om teleurgesteld genoeg te zijn in je handelen of in de producten die eruit voortkomen om er werkelijk trots op te kunnen zijn.
Een principe kan zowel een grens zijn als de overschrijding ervan. Beiden zijn nodig, maar niet tegelijk.
Het zich totaal overgeven aan lust, in welke vorm dan ook, leidt tot desintegratie. Sublimatie is dan ook niet optioneel, het is onversneden vormbehoud.
Alles wat je ooit hebt gedaan of gedacht, op ieder moment terug kunnen uitvouwen om het voor je uit te werpen en er een nieuwe werkelijkheid mee naar binnen te halen.
De poëtische modus is geen optie, maar voorwaarde tot transformatie.
Demiurg zijn van de contingentie: ieder fenomeen tot zijn elementaire bouwstenen herleiden om het te kunnen herscheppen en daarmee te integreren.
Met objecten en feiten is het zoals met mensen: men kan ze als abstractie, als type beschouwen en als onherleidbare singulariteit. Beide perspectieven hebben hun plaats, maar als je de contingentie van je omgeving wilt herscheppen, heb je weinig aan abstracties. Pas door het singuliere in zijn onherleidbaarheid te zien, kan je er waarlijk mee aan het werk.
Niet wat doet dit reclamebord, maar wat kan dit reclamebord voor mij doen?
Ieder woord te veel betaal je dubbel: in teleurstelling over je gebrek aan vormbeheersing en in verminderd gehoor bij diegene tot wie je het richt.
Ik heb geen doelen, alleen verlangens. Het doel is vervormd en daardoor vervormt het. Het is genormeerd, ingelijfd in het acceptabele, in het haalbare. Dat betekent natuurlijk niet dat verlangens zuivere of ongemedieerde expressies zijn, maar ze tonen ons iets oorspronkelijkers. Het doel legt vast en is daardoor altijd beperkend. Het is altijd het product van een beperkte verbeeldingskracht en perspectief. Het structureert een temporeel veld en schept een anticiperende modus. Zelfs als het een doel is dat geen exact tijdelijk ankerpunt krijgt, wordt het een anticipatie op dat wat nog niet is, op dat wat nog moet komen, zonder dat dit verder wordt gespecificeerd en geconcretiseerd. Maar de anticipatie werkt affectief verlossend en ontslaat daarom deels van concreet handelen.
Bij de soevereine eindigt de jeugd de dag dat hij zich voor de laatste keer tegenover een ander heeft gerechtvaardigd.
In een driehoeksverhouding is het herhaaldelijk complimenteren van de een vaak toch vooral een manier om zich van de ander te ontdoen.
Wie interacties aanwendt om in competitie te treden, heeft ze al lang verloren.
De radicaalste autonomie is niet totalitair. Ze erkent haar limieten, de grenzen van haar controle. Trouwens, zich niet verweren wanneer men geraakt wordt door het leed van een ander is ook een vorm van controle.
Het is een illusie van de expansieve wil dat het zich openstellen voor het leed van anderen een belemmering van die expansie zou vormen.
De warmste en de koudste mens kunnen zijn.
Creativiteit als hoogste beginsel dreist geen afwijzing van een moreel ideaal, die er een fundamentele beperking van zou zijn. Nee, het moreel ideaal is zowel doel van de creatie als mogelijkheidsvoorwaarde ervan. Geen vormimpositie zonder vorm, zij het een dynamische.
De kracht van iemands competentie zit hem in het aandeel ervan dat onuitspreekbaar is.
Voor alle zekerheid toch sceptisch blijven wanneer het erop lijkt dat de overwoekerende scepsis van je is afgeworpen.
Misschien is genotzucht (in de brede zin) wel de sterkste drijfveer om een superieure verbeelding te ontwikkelen.
Het exceptionalisme van de mens vieren is hem begrenzen.
Hij toonde zich in zijn diepste kwetsbaarheid. Zij kon die enkel bevestigen. De schaamte die hij hier sindsdien over voelt, blijft hij haar kwalijk nemen, wat zich in de omgang vertaalt in geforceerde hautaine afstandelijkheid.
Te weinig abstractie doet je verzanden in de menigvuldigheid van de situatie. Te veel ontdoet haar van haar karakteristieke eigenschappen. Het is dan ook zaak om in iedere situatie het functioneel optimum te vinden, maar dat is even veranderlijk als de situatie zelf.
Hij beriep zich op een recht, daar waar hij een gunst had kunnen verlenen, en beging zo twee keer onrecht: ten aanzien van de ander én van zichzelf.
Kon ik maar de sporen uitwissen, de greep van zijn onveranderlijkheid ontdoen, zei ze onaangedaan. Zij wil bewaren wat zich later stil ontmoedigt, een leven als kind, een kinderleven, beloftevol als de zonsopgang die zich niet laat bezinken in te veel anticipatie. O, ik hoor u zeggen, kalmeer nu toch. Van onderwerping is hier maar sprake als ze halfslachtig is, en toch is dit de rust die ik u nu toewens. Gestileerd als altijd is ook haar ontmoediging beknopt. Paria's leven dan ook bij gratie van het merendeel.
Haar wijsheid bestaat erin dat ze zich omgeeft met mensen die haar vragen stellen waarop ze geen antwoord heeft.
Een politicus is iemand die zijn verbeelding offert aan zijn ‘realiteitszin’. Hij heeft van die eerste doorgaans ook erg weinig, want dat zou te veel offerbereidheid vragen.
Antipathie mag nooit een hindernis vormen om iemand als medestander te beschouwen.
Het oude is des te standvastiger als het nieuwe met teveel enthousiasme wordt geadopteerd.
De morele mode is altijd verdacht, niet omdat ze per se slecht is, maar omdat ze als mode onvermijdelijk de menigvuldigheid van een moreel vraagstuk reduceert en daarmee de waarheid van de oppositionele partijen miskent.
Ze plaatst haar intelligentie op een voetstuk, maar ze lijdt onder het feit dat ze er minder heeft dan ze zou willen, en die onzekerheid tast haar soevereiniteit aan. Maar tegelijkertijd is het wel de eerste voorwaarde van haar groei.
“Misschien heb je niet genoeg schaamte in je om groot te worden.” zei de oude vrouw.
Niets is parater dan de vernederingen die men heeft geleden. Het zijn dan ook de primaire richtingaanwijzers.
Wie anderen deelachtig wil maken van zijn zoektocht heeft doorgaans weinig gevonden.
De kleine pijn irriteert, de grote verlamt. Zo is het ook met het kwaad in de wereld.
Denken is vaak het meest therapeutisch als het object ervan niets te maken heeft met de oorzaak van de behoefte aan therapie.
Zodra ze iets van de hoogste kwaliteit proeft, wil ze zich ervan verzekeren dat er ook door andere soortgelijke hoogtes zijn bereikt, als om zich van de onuitputtelijkheid van het geproefde te verzekeren, terwijl het net de uitzonderlijkheid is die het kenmerkt.
Het omarmen van iets nieuws vereist haast altijd een zekere naïviteit, al was het maar om het omarmen zelf te laten slagen. Kritische adoptie is een contradictie. Het kritische komt altijd later.
Grove natuuren plegen meer dan eens het ongemak dat je door hen zult ervaren vooraf aan te kondigen, als zou de eerlijkheid hierover de onbeschoftheid kleiner maken.
In alles het banale zoeken is nog altijd de zekerste weg om eraan te ontsnappen.
Het meest nabije tot het onderwerp maken om dan gewetenswroeging te ervaren dat men niet verder is geraakt.
Zijn kleine overwinningen smaken hem te zeer om er een grote achterna te gaan.
Gewilde ernst is altijd minder ernstig dan we zouden willen.
“Ik ben vandaag…” Grove samenvatting van al mijn handelingen, gedachten, houdingen, gevoelens, die ieder op zich systeemconfiguraties vormen met een bepaalde waarschijnlijkheid. De vraag is dus hoe men de statistiek van zijn eigen systeem naar zijn hand zet. “Door het in het juiste omgevende systeem te plaatsen” zou de ander zeggen.
Een schrijver moet het leven niet reproduceren, hij moet het verdiepen, intensifiëren. Iedere frivoliteit in zijn schrijven is dan ook de negatie van deze opdracht, mimese van het overbodige.
Hoe lichtzinnig wordt het verleden toch gebruikt om afstand te nemen van een zogenaamd vroeger zelf, alsof de intensiteit van de verwerping van wie men toen was de graad van de wedergeboorte markeert.
Hoeveel dimensies je aan een fenomeen toekent hangt minder van het fenomeen zelf af dan van je bereidheid om ze toe te kennen. Een moreel vraagstuk dus.
De één haalt zijn waardigheid uit het respect dat anderen voor hem hebben, de ander noemt dat een gebrek aan waardigheid.
Men houdt zich voor dat de naïviteit ooit zal stoppen, maar zij wordt enkel sluwer en neemt steeds nieuwe, moeilijker te herkennen vormen aan.
Nu er geen ontologische of religieuze grond meer kan zijn voor de moraal, is het poneren van de superioriteit van de rede ten opzichte van de affecten of omgekeerd, ofwel een kwestie van smaak, ofwel het toegeven aan een overheersend plichtsgevoel ten aanzien van de gemeenschap, al dan niet uit prudentiële gronden. In beide gevallen, een kwestie van karakter dus.
Zich voorhouden dat de onvoorspelbare gebeurtenis even onontkoombaar is als alle andere, alleen uit een ander waarschijnlijkheidsregister.
De totale afwezigheid van legitimering ten aanzien van anderen is voor zover ik weet de sterkste vorm van legitimering.
Zonderling optimisme, je maakt mijn twijfel monddood en daarmee mijn morele hygiëne verdacht.
De vogel verklaart zich zelf bereid. “Ik heb veel tegen je te zeggen” zegt hij. Maintes belles choses ne se laissent approfondir impunément. Misschien verklaart dat mijn terughoudendheid om minder afstand te bewaren. Dorst lest zich ten slotte het best door net voldoende te drinken. Maar afstand doen van de overdaad zou hier misdadig zijn. Mensen gaan aan zichzelf twijfelen als ze niet bevestigd worden. Daarin verschillen ze niet van ons. Vooruit dan, sipel me je minnelijkheden naar binnen. Rechtop staan toch vooral diegenen die nooit hebben gesprongen, terwijl het ideaal dat ze wilden bewaken haar ondergrond nietig verklaart. Voorzichtigheid is antithetisch aan vitaliteit en wordt daarom louter beloond door anemische zielen.
Een intelligentie maakt zich niet tot object van haar eigen onderzoek als ze niet onzeker is. Daarom ontbreekt het haast alle intelligente mensen aan genie; ze hebben hun intelligentie nooit als problemen ervaren en daarmee nooit de impuls ondervonden om haar boven zich uit te laten stijgen.
Die grenzen van de doorzetting zijn de grenzen van het vermogen tot knechtschap en verveling.
Borges zegt ergens dat het gevoel achter een tekst minstens even belangrijk is als de tekst zelf. Een devies voor filosofen, lijkt me, want niets dat kleinheid van gevoel beter maskeert dan ‘sluitende’ argumenten.
Het is geen verheffing als ze je niet mooi maakt.
Een mentale toestand wordt veelal als onaangenaam bestempeld omdat hij er een andere in de weg staat. Zodra men hem op zichzelf laat bestaan, verdwijnt dit negatieve karakter dan ook.
De gemeenplaatsen die binnen elites circuleren (ook geestelijke), worden door hun leden doorgaans gebruikt als deel van het onderscheidingsmechanisme ten aanzien van buitenstaanders, maar het blijven evenzeer gemeenplaatsen, waarvan de kenmerkende eigenschappen altijd luiheid en conformisme zullen zijn.
Bij meer dan één nobele natuur is het onvermogen om strategisch te denken niet meer dan een morele reflex die elke aanzet ertoe kortwiekt.
De kleine trots staat de eerzucht toe haar dorst te lessen. De grote weerhoudt haar ervan te snel de drinken.
Voor de gewetensvolle is respect in de omgang minstens evenveel een kwestie van energiebesparing als een intrinsieke plicht.
In ieder opzicht redelijk, maar toch volkomen de weg kwijt.
Het systematische in het denken ontneemt het veel fijnzinnigheid.
Hoe verheven ook, het principe dat wordt aangewend ter zelfrechtvaardiging leidt altijd tot een diminutie van het zelf.
Niets dat het mentale leven en het handelen beter kan harmoniseren en van activiteit waarborgen dan een groot doel dat plots zijn intrede doet. Alleen verschijnt het bijna altijd als product van een behoeftige trots, in een poging hem op krediet te stillen, waardoor het weinig duurzaamheid heeft. Deze behoefte is doorgaans zo totaliserend dat ze alle andere overstemt, wat tot een verregaande deregulering van het mentale leven leidt en een terugval in vermogens.
Wie spreekt hier van zelfhaat? Liefde is de voorwaarde voor de zelfverachting, maar liefde is het spijtig genoeg ook, die ons oordeel milder stemt wanneer de redenen om te verachten toenemen, totdat we ten lange leste niet meer verachten. Daarin schuilt het grootste gevaar.
Grootheid is te singulier om rolmodel te zijn.
Scholing leert vaste vormen te respecteren, schoolsheid houdt er kunstmatig aan vast.
Als je iedere keer dezelfde fout maakt, kan je misschien best ophouden het als fout te zien.